Het groeien van de onderneming
Groei, groei en nog eens groei. Welke onderneming streeft er niet
naar? Een nieuw produkt op de markt brengen, een nieuwe divisie
opzetten, internationaliseren. Een probleem is dat voor groei
meestal veel geld nodig is. Zeker bij industriële en
kapitaalintensieve ondernemingen kan dit een belemmering vormen. De
belangrijkste financieringsbron, winstinhouding, schiet vaak tekort.
Op zich aantrekkelijke investeringen kunnen hierdoor vertraging
oplopen, of zelfs uitblijven. Dreigt zo'n situatie, dan doet een
onderneming er goed aan om elders financiering te betrekken. En dan
blijkt dat het zelfs voor een succesvolle middelgrote onderneming
niet altijd makkelijk aan expansiefinanciering te komen.
De bank is waarschijnlijk de eerste tot wie de onderneming met een
nijpend tekort aan financiële middelen zich wendt. Dezelfde bank die
van tijd tot tijd bijspringt als er een liquiditeitstekort ontstaat,
die regelmatig langlopende leningen verstrekt, die een goed inzicht
heeft in - dezelfde bank, kortom, waarmee de onderneming in de loop
van de jaren een vertrouwensrelatie heeft opgebouwd. Maar
opmerkelijk genoeg is de huisbankier lang niet altijd de aangewezen
instantie om bij aan te kloppen.
Zeker niet wanneer een bedrijf gedurende langere tijd onvoldoende
eigen vermogen heeft. Bijvoorbeeld omdat het is aangetast door
kosten waar niet direct opbrengsten tegenover staan. Een expanderend
bedrijf kan makkelijk in een situatie terechtkomen waarin het dreigt
'kapot te groeien', zegt Mr. drs. A. van der Lecq, die zich onlangs
heeft gevestigd als gespcialiseerd intermediair tussen
participatiemaatschappijen, informal investors en ondernemingen op
zoek naar risicodragend vermogen na een carrire bij de
kredietafdeling van de - toen nog - Nederlandsche Middenstandsbank
(NMB), de participatie-afdeling van de Nationale Investeringsbank
(NIB) en het beleggingsfonds NORO.
De groei van een onderneming wordt vaak in de kiem gesmoord doordat
de solvabiliteitsverhoudingen onder druk komen te staan, legt Van
der Lecq uit. "De verhouding tussen eigen vermogen en vreemd
vermogen verslechtert. Niet omdat het slecht gaat, maar juist omdat
het goed gaat. Het eigen vermogen kan de groei van het balanstotaal
niet bijbenen. Vreemd vermogen aantrekken heeft vaak geen zin.
Daarmee verbetert de solvabiliteit niet. Het bedrijf wordt
opgezadeld met hoge, vaak te hoge rentelasten. De bank zal in zo'n
situatie ook waarschijnlijk de groei niet willen financieren, maar
het bedrijf wegsturen met het verzoek de solvabiliteit te
verbeteren. Voor het bedrijf kan het aantrekken van eigen vermogen
of financiering via achtergestelde leningen een oplossing zijn, maar
daarvoor is de bank doorgaans niet de aangewezen partij."
Wat dan? Waar kan de onderneming dan terecht? Op de markt voor
bedrijfsfinancieringen zijn verschillende aanbieders actief (zie
figuur 1), die verschillende doelgroepen - lees: ondernemingen in
verschillende ontwikkelingsstadia - bedienen.
Zoals blijkt uit figuur 1, maakt een ondernemer niet bij alle
aanbieders even veel kans op financiering. Institutionele beleggers
zijn in de regel niet geïnteresseerd. Wanneer de bank hem afwijst,
kan hij op enige belangstelling rekenen van particulieren, de
overheid en bij niet-financiële ondernemingen met interesse in
'corporate venturing' - waarbij een bedrijf aandelen verkoopt aan
een niet financiële instelling, meestal een branchegenoot - en veel
kans bij participatiemaatschappijen, informal investors,
factormaatschappijen en leasemaatschappijen.
Voor de financiering van onderzoek en ontwikkeling, marketing en
nieuw personeel is de ondernemer meestal aangewezen op de
participatiemaatschappij en de informal investor. Daar kan hij
terecht voor een injectie van eigen vermogen en achtergestelde
leningen om groei zonder pijnen mogelijk te maken. Zowel de PPM als
de informal investor neemt aandelen en verwerft zeggenschap in de
onderneming de financiering. Voor het overige verschillen zij nogal
van elkaar.
Participatiemaatschappijen hebben zich de laatste jaren goeddeels
afgekeerd van riskante en arbeidsintensieve investeringen. Een
participatiemaatschappij investeert bovendien liever één keer een
groot bedrag in één onderneming dan datzelfde bedrag te steken in
verschillende kleinere ondernemingen. De meeste PPM's hanteren een
ondergrens van fl.1 miljoen of hoger. Zodoende taant de interesse
van PPM's voor vroege (start, eerste groei) fasen en stijgt hun
belangstelling voor late-fasefinanciering, met uitzondering van de
riskante turn-aroundfinanciering. Voor een volwassen bedrijf op zoek
naar groeifinancering kan een PPM dus op het eerste gezicht uitkomst
bieden, zeker als het een flinke investering betreft. Veel groeiende
ondernemingen lijken ook inderdaad de weg naar een PPM te vinden.
Volgens het rapport Doorgroei KMO van het Verbond van Nederlandse
Ondernemingen (VNO) uit 1992 zijn niet minder dan 40% van alle
snelgroeiende middelgrote ondernemingen (mede-)gefinancierd met
venture capital.
Gebakje
Toch vinden lang niet alle ondernemingen die voor financiering door
een PPM in aanmerking komen de weg daar naar toe. Volgens R. De
Boeck, directeur van Staal Particpaties, ligt dit gedeeltelijk aan
de ondernemingen zelf: "Veel ondernemers zijn huiverig zeggenschap
af te staan. Ze hebben liever 100% van een klein gebakje dan 30% van
een grote taart. Terwijl je rationeel gezien voor die 30% zou moeten
kiezen."
Een andere factor lijkt de onbekendheid van venture capital te zijn.
45% van de bedrijven is volgens een Heliview-onderzoek uit 1991 niet
goed op de hoogte van het bestaan en de mogelijkheden. Vreemd genoeg
lijken banken hier mede schuldig aan. Volgens De Boeck komt het
nogal eens voor dat banken het nalaten bedrijven die niet voor een
lening in aanmerking door te verwijzen naar een
participatiemaatschappij. "Leningen verstrekken en participeren is
ook ook een heel ander metier", zegt Van der Lecq. "Een bankier
houdt vaak geen rekening met de mogelijkheid dat een
particpatiemaatschappij msschien interesse heeft in een bedrijf dat
de bank niet kan financieren."
Dit is des te opmerkelijker daar veel banken een eigen 'captive'
participatijmaatschappij hebben. Verwijzen de kantoren soms niet
naar behoren door naar de 'captive'? "Bij ons wel", zegt P. de
Lange, afdelingsdirecteur Risicodragend Vermogen van het Directoraat
Midden- en Kleinbedrijf van ABN AMRO.
Bedrijven die niet normaal, met vreemd vermogen gefinancierd kunnen
worden, kunnen bij de kantoren van de bank terecht voor
achtergestelde leningen. Voor eigen vermogen kan men aankloppen bij
het zogeheten jonge-bedrijvenfonds, waarin de bank samen werkt met
informal investors en met regionale ontwikkelingsmaatschappijen. Tot
slot heeft de bank twee eigen, 'captive' fondsen: een MKB Fonds en
een participatiefonds, het eerste voor bedrijven met een
vermogensbehoefte van minder dan fl.1 miljoen, het tweede voor
bedrijven die daarboven zitten. Het doorverwijzen naar de 'captives'
is de verantwoordelijkheid van adviseurs speciale financieringen van
de regiokantoren. En die functioneren goed, zegt De Lange. Ter
indicatie: het MKB Fonds heeft een beschikbaar vermogen van rond de
fl.40 miljoen. Hiervan is rond de 30 miljoen daadwerkelijk
geïnvesteerd. "Dat is niet slecht."
Hoe het ook zij, zelfs voor bedrijven die de weg naar de 'captive'
of zelfstandige PPM wel kennen, blijkt deze niet altijd de ideale
financiële partner. Dit wordt onderstreept door enkele onderzoeken
van de afgelopen tijd. Allereerst genoemd VNO-onderzoek, dat vooral
gaat over ondernemingen die in de periode 1987-1992 het aantal van
honderd werknemers is gepasseerd. Voor het merendeel van de
ondernemingen in kwestie was financiering geen ernstig probleem. Wel
werd er geklaagd over de geringe risicobereidheid van externe
financiers. Van meer recente datum - maart 1995 - is een onderzoek
van Alex van Groningen Management Consultants, Blij met de
Participatiemaatschappij. Volgens dit onderzoek zijn ondernemers die
bij een PPM in zee zijn gegaan in het algemeen tevreden. Wel vinden
ze dat participatiemaatschappijen flexibeler mogen zijn als de de
onderneming meer kapitaal nodig heeft. Bijna de helft (40%) van de
ondernemers heeft vroeger of later meer geld nodig dan aanvankelijk
verwacht, bijvoorbeeld om te kunnen groeien. Van die 40% krijgt
echter slechts de helft de vereiste additionele financiering.
Voor de onderneming die een PPM wil benaderen is het in elk geval
zaak met een goed doortimmerd businessplan voor de dag te komen. In
de praktijk blijkt dit met name nogal eens moeite op te leveren,
zegt De Boeck. "Veel ondernemers hikken hier tegen aan. Terwijl elke
financier een goed plan wil zien, door de ondernemer zelf opgesteld,
in zijn eigen taal. De financier wil weten wat hij kan verwachten
als hij geld investeert in een onderneming."