Financier niet altijd gek op groei
Groei kost geld. Een onderneming die nieuwe producten wil
introduceren, nieuwe markten wil ontginnen of investeringsplannen
wil uitvoeren, heeft financiering nodig. Voorzover de eigen middelen
tekortschieten, zal er een externe financier aan te pas moeten
komen. Dan beginnen de problemen vaak. Hoe voorkomt u dat uw
groeiplannen in de kiem worden gesmoord?
Snelgroeiende onderneming hebben vaak problemen met financiering.
"Niet alle snelgroeiende ondernemingen kampen met
financieringsmoeilijkheden. En bij bedrijven die de financiering als
knelpunt ervaren is dit ook niet het belangrijkste probleem. Maar
problemen met financiering komt wel vaker voor bij snelgroeiende
bedrijven dan bij andere bedrijven." Dit zegt W. Verhoeven, die als
onderzoeker bij het Economisch Instituut voor het Midden- en
Kleinbedrijf (EIM) onderzoek heeft gedaan onder Nederlandse
bedrijven tot 100 werknemers naar groei.
Een bedrijf dat groei moet financiering kan - zeker op korte termijn
- een eind komen met een doordacht beheer van de vlottende activa en
passiva. Denk aan: beperking van krediet aan debiteuren, kortingen
aan debiteuren om hun betaalgedrag te verbeteren en zelf trager gaan
betalen. In het verlengde hiervan kunnen factoring en leasing of
huur vruchten afwerpen. Factormaatschappijen innen niet alleen
debiteuren voor u, ze financieren ook en zorgen daarmee voor
inkomende geldstromen. Leasen of huren kan een alternatief vormen
voor investeren: een bedrijf krijgt de beschikking over activa,
zonder dat de liquiditeit sterk onder druk komt te staan.
Voorraadbeheer kan eveneens soelaas bieden. Voorraden leggen nu
eenmaal beslag op het vermogen - vermogen dat wellicht beter worden
aangewend. Ook aantrekken van kortlopend vreemd vermogen behoort tot
de mogelijke bronnen van financiering. Het rekening courant-krediet
kan bijvoorbeeld worden gebruikt om te voorzien in plotselinge
liquiditeitstekorten. En waar nodig kan de ondernemer zelf even
bijspringen.
Veel groeiende bedrijven blijken met dit soort maatregelen ook op
lange termijn prima uit de voeten te kunnen. Uit het onderzoek naar
de 500 snelstgroeiende bedrijven in Europa blijkt bijvoorbeeld dat
zij hun activiteiten grotendeels zelf financieren. Dat wil zeggen:
het benodigde kapitaal komt vooral uit ingehouden bedrijfswinsten.
Verder zijn banken en eigen middelen van de ondernemer belangrijke
financieringsbronnen. Andere bronnen - zoals risicokapitaal en geld
van investerende familie en kennissen - zijn minder in zwang.
Waar o, waar?
Ondernemers die aan ingehouden winsten en persoonlijk vermogen niet
genoeg hebben om de groei te financieren, zullen op zoek moeten naar
externe financiering. Volgens onderzoek van het EIM, gepubliceerd in
het onlangs verschenen Ondernemen in 1996, ondervond éen op de drie
bedrijven die vermogen probeerde aan te trekken problemen. De helft
hiervan slaagde erin de financiering binnen het jaar alsnog rond te
krijgen. "Deze bedrijven moesten hun investeringsplannen dus
bijstellen en hun groeipotentie drukken", aldus Verhoeven, die aan
het onderzoek heeft meegewerkt. De andere helft moest nog maar
afwachten of het ooit zou lukken een financier te vinden. Bij
bedrijven die zeer sterk in omzet groeiden was zelfs 67% er niet in
geslaagd binnen het jaar middelen aan te trekken. Terwijl dit nota
bene ook de groep was die de grootste behoefte had aan externe
financiering. Juist bedrijven die het geld het hardst nodig hebben,
hebben dus de grootste moeilijkheden om het aan te trekken!
Dat juist snelle groeiers problemen met financiering ondervinden is
niet verwonderlijk, zegt Verhoeven. "Als een bedrijf snel groeit
nemen de risico's vaak toe. Voor een bank of andere financier is het
maar de vraag waar het toe leidt als de ondernemer een nieuw pad in
slaat. Hij kent de expansieplannen niet altijd die de ondernemer
heeft uitgestippeld. En als hij ze kent, weet hij niet of de
ondernemer zijn plannen kan waarmaken." Financiers beschouwen vooral
kleine bedrijven en weinig gediversificeerde ondernemingen -
waaronder succesvolle 'nichespelers' - nogal eens als te riskant om
geld in te steken. Groei van omzet en winst komt vooral bij deze
twee groepen. Maar veel financiers laten zich liever in met solide
middenmoters dan met mogelijke koplopers. "Als er iets misgaat met
een bedrijf met een beperkt productenpakket, dan gaat het
waarschijnlijk ook goed mis. Bij een groot en gediversificeerd
bedrijf zijn de risico's echter veel meer gespreid. Een financier
hoeft zich dan minder zorgen te maken - ook al heeft het bedrijf een
gering groeipotentieel", aldus Verhoeven.
Niet alleen de risico-aversie van financiers speelt veel groeiers
parten. Daar komt bij dat groei in eerste instantie meestal met
vreemd vermogen wordt gefinancierd. De verhouding tussen eigen
vermogen en vreemd vermogen verslechtert. Niet omdat het slecht
gaat, maar juist omdat het goed gaat. Het eigen vermogen kan de
groei van het balanstotaal niet bijbenen. "De solvabiliteitspositie
dreigt te worden uitgehold", aldus Verhoeven.
De (huis)bankier is waarschijnlijk de eerste tot wie de onderneming
op zoek naar financiële middelen zich dan wendt. In kader 1 staan
enkele aandachtspunten bij het aantrekken van bancaire financiering.
Maar al is de bankier de financier die het meest voor de hand ligt,
juist hij zal zich terughoudend opstellen als een groeiende
onderneming om geld vraagt. Als de bank een lening verstrekt, dan
waarschijnlijk alleen onder stringente voorwaarden - met een
risico-opslag verlangen en aanvullende zekerheden. De kans is groot
dat de bank helemaal geen lening verstrekt, meent Verhoeven.
"Althans niet in Nederland, waar de industriebanken ontbreken, die
allerlei financiële producten en diensten kunnen aanbieden. In
landen als Duitsland en België particperen veelal participeren
dergelijke de 'banque des affaires' in kansrijke projecten. In
Nederland komt dit niet voor. "
Als de bank nul op rekest geeft, kan de liquiditeitspositie van het
bedrijf in gevaar komen. "Ook al heeft het bedrijf reële
vooruitzichten op lange termijn continuïteit en toenemende winsten,
als het op korte termijn in liquiditeitsproblemen komt, dan loopt
het bedrijf snel in de valkuil van een faillissement", zegt P. de
Lange, afdelingsdirecteur Risicodragend Vermogen van het Directoraat
Midden- en Kleinbedrijf van ABN AMRO.
"De liquiditeit is op korte termijn nog belangrijker dan de
solvabiliteit", vult C. Senten aan, afdelingsdirecteur van het
directoraat Midden- en Kleinbedrijf van ABN AMRO. "Tenslotte moet de
onderneming aan allerlei kortlopende schulden voldoen." Als de
onderneming daar niet toe in staat is, is het vaak snel afgelopen
omdat het zijn personeel, de bedrijfsvereniging en leveranciers niet
meer kan betalen. Aan een slechte solvabiliteit gaat iemand niet
failliet, aldus Senten. "Maar een slechte solvabiliteit vormt wel
een indicatie dat het weerstandsvermogen op lange termijn aangetast
raakt, en de kwetsbaarheid voor tegenslagen toeneemt. Voor een
onderneming met een geringe solvabiliteit kan het daarom belangrijk
eigen vermogen aan te trekken." Het verdient aanbeveling dit extra
eigen vermogen aan te trekken vóór zich liquiditeitsproblemen
aandienen, aldus De Lange en Senten. Zo kan de onderneming tenminste
nog kortlopende verplichtingen voldoen. Eventueel kan het extra
eigen vermogen worden gebruikt om lang vreemd vermogen aan te
trekken. Uiteraard kan dit alleen als de vooruitzichten op termijn
goed zijn. "Niemand giet water in een lekke emmer", aldus Senten.
De bank als financier
De bank let vooral op de verwachte kasstromen en op
bedrijfseconomische ratio's, bovenal solvabiliteit. Ook wordt
gekeken naar de activa die een bedrijf kan bieden bij wijze van
zekerheid. Een gezonde cash flow is belangrijk omdat hieruit de
verplichtingen voor rente en aflossing moeten worden voldaan. De
verwachte cash flow moet hoger (zeker 25%) liggen dan de verplichte
rente en aflossing. Mocht de betalingscapaciteit om een of andere
reden niet voldoende blijken, dan dient het bedrijf op zijn minst
over een goede solvabiliteit te beschikken.
Als de cash flow tegenvalt, moet het bedrijf maatregelen kunnen
nemen om te overleven. De gewenste minimum verhouding tussen eigen
vermogen en totaal vermogen is afhankelijk van het soort activa en
branche. 30% is een - zeer algemene - richtlijn. Voor het geval de
onderneming kopje onder mocht gaan, zal de bank zekerheden vragen
als dekking. Als dekking wil de bank zeker zijn van een bepaald
percentage van de executiewaarde van de activa. De bank zal de
activa conservatief taxeren - 50% van de executiewaarde is geen
uitzondering.
Tot slot zal de bank kritisch kijken naar zaken als:
* De branche waarin de onderneming opereert.
* De positie van het bedrijf in de branche.
* De betrouwbaarheid van het businessplan en ander cijfermateriaal
en de kwaliteit van het management en de organisatie. "De man en
zijn plan", in de woorden van Senten en De Lange.
Tot wie kan de onderneming zich wenden voor eigen vermogen? De eigen
familie en de kennissenkring van de ondernemer kunnen een
alternatief vormen. De 'tante-Agaath'-regeling vormt voor hen een
extra stimulans om middelen ter beschikking te stellen. Een nadeel
is alleen dat particulieren vaak onvoldoende middelen ter
beschikking hebben. Zeker wanneer de onderneming een grote
financieringsbehoefte kent, moet er dus verder worden gezocht. Soms
kunnen subsidies uitkomst bieden.
Risicodragend kapitaal vormt een ander alternatief voor de bancaire
financiering - in de vorm van eigen vermogen of (achtergestelde
en/of converteerbare) leningen, waarbij geen zekerheden worden
verkregen. De belangrijkste financiers buiten de naaste omgeving van
de ondernemer zijn venture-capitalmaatschappijen en informal
investors. Bij beide verkoopt de ondernemer zijn aandelen
gedeeltelijk en levert hij enige zeggenschap over de onderneming in.
"Dat vormt voor veel ondernemers een drempel", aldus Verhoeven.
Senten en De Lange bevestigen dit, hoewel zij de indruk hebben dat
de MKB-ondernemer in toenemende mate openstaat voor externe
verschaffers van eigen vermogen. "Maar nog altijd beschouwt menig
ondernemer in het midden- en kleinbedrijf de onderneming als zijn
kind. Het is zijn bedrijf en dat wil hij zo houden. Dit leidt er
vaak toe dat hij ambitieuze groeidoelstellingen niet kan waarmaken -
alleen omdat hij op eigen kracht wil groeien. Wie wil groeien, zal
ook moeten accepteren dat derden zich met bedrijf inlaten. Voor de
extra financiële slagkracht. Maar ook voor de extra gesprekspartner
die hij erbij krijgt als hij in zee gaat met een
venture-capitalmaatschappij of informal investor. Niet een
gesprekspartner die de ondernemer voorschrijft wat hij moet doen,
maar wel iemand die hem van tijd tot tijd een spiegel voorhoudt.
Voor de ondernemer kan dat een enorme verrijking zijn. Maar hij moet
er wel aan toe zijn. Hij moet willen meegroeien met zijn bedrijf."
Venture-capital maatschappijen en informal investors verschillen
duidelijk in investeringsbeleid. Venture-capitalmaatschappijen
bieden in de eerste plaats financiering, aangevuld met enige
management-ondersteuning, meestal door plaats te nemen in de Raad
van Commissarissen. Grote venture-capitalmaatschappijen investeren
bij voorkeur in ondernemingen met een bewezen status en een stabiele
winstontwikkeling. Groeiers maken eerder kans bij kleinere
venture-capitalmaatschappijen zoals het ABN AMRO MKB-fonds.
Groeiperspectieven kunnen een pre zijn in de ogen van de venture
capitalist. Groei betekent immers dat de aandelen waar de
venture-capitalmaatschappij in participeert in waarde toenemen en na
verloop van tijd met winst kunnen worden verkocht.