Een vergelijking tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen
Om een onderneming op te richten, uit te breiden of gewoon haar
dagelijkse activiteiten te laten verrichten, heeft de onderneming
behoefte aan een hoeveelheid kapitaal. Er bestaan verscheidene
manieren om in deze behoefte te voorzien. Hierbij zal de onderneming
een keuze moeten maken tussen interne en externe financiering.
Meestal zijn de interne middelen ontoereikend om aan de
financieringsbehoefte te voldoen en dienen er additionele externe
middelen te worden aangetrokken.
Toch dienen externe middelen geen noodoplossing te zijn voor de
onderneming. Zo kan men ook vreemd vermogen aantrekken om te
genieten van positieve financiële hefboomwerking. Toch blijkt dat de
traditionele financiers, zoals banken of kapitaalmarkten, vaak geen
adequate financiële partij zijn voor niet-beursgenoteerde
ondernemingen. De mogelijke alternatieve financieringspartners voor
deze ondernemingen zijn o.a. de 3 F’s (Family, Friends & Fools),
business angels, venture capitalists en de strategische beleggers.
Het is de doelstelling van deze eindverhandeling een beter inzicht
te verkrijgen in de financiering van beursgenoteerde en
niet-beursgenoteerde ondernemingen met vreemd vermogen.
Centraal in deze studie staat de statistische analyse van de
jaarrekening. Als centrale onderzoeksvraag is dan ook gekozen voor:
Hoe verschilt de financiering met vreemd vermogen tussen
beursgenoteerde ondernemingen en niet-beursgenoteerde ondernemingen?
Uit de literatuurstudie komen de diverse verschillen naar voren
tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde bedrijven en de
daarmee gepaard gaande voor- en/of nadelen.
Het meest in het oog springende punt is het ontbreken van een
marktprijs van de aandelen van niet-beursgenoteerde ondernemingen.
Een tweede belangrijk verschil tussen beursgenoteerde en
niet-beursgenoteerde ondernemingen houdt in dat de kapitaalkost voor
beursgenoteerde ondernemingen lager is. Een voordeel verbonden aan
het beursgenoteerd zijn, is dat op deze manier de onderneming een
grotere bekendheid verwerft.
Een nadeel voor de beursgenoteerde ondernemingen is dan weer dat zij
meer informatie moet vrijgeven. Voordat een antwoord geformuleerd
wordt op wat vreemd vermogen inhoudt, worden in deze
eindverhandeling kort de theorieën besproken die aan de basis liggen
van de grote denkrichtingen in het domein van de kapitaalstructuur.
Ook wordt er ingespeeld op de actualiteit met de bespreking van de
impact van de notionele intrestaftrek. Voor de bepaling van de
steekproef van de beursgenoteerde ondernemingen wordt gebruik
gemaakt van de Bel-First DVD.
Enkel naamloze vennootschappen zonder rechtstoestand, die
rapporteren volgens het volledig schema en minstens 50 werknemers in
dienst hebben, komen in aanmerking. Daarna zijn er nog enkele
ondernemingen uit de steekproef gelaten omdat de wetgever voor die
ondernemingen speciale solvabiliteitsvereisten heeft voorgeschreven.
Om tot de steekproef van de niet-beursgenoteerde ondernemingen te
komen, worden dezelfde criteria gebruikt. De matching gebeurt per
activiteitencode en op basis van balanstotaal, omzet, aantal
werknemers en eventueel toegevoegde waarde per personeelslid.
In beide steekproeven zijn 50 ondernemingen opgenomen. De
statistische test die gebruikt wordt bij de vergelijking is de
Z-test. Wanneer de som van de lange termijn schulden in absolute
getallen wordt vergeleken, blijkt dat de beursgenoteerde
ondernemingen meer gebruik maken van deze schulden dan de
niet-beursgenoteerde ondernemingen. Hetzelfde wordt gedaan voor de
schulden op korte termijn en op basis van die berekeningen kan
geconcludeerd worden dat de beursgenoteerde ondernemingen hun
activiteiten minder financieren met vreemd vermogen op korte termijn
dan de niet-beursgenoteerde ondernemingen.
Uit onderzoek van de totale schulden blijkt dat er geen eenduidige
conclusie getrokken kan worden. Daarom worden de berekeningen
herhaald per sector. In 6 van de 18 sectoren hebben de
beursgenoteerde ondernemingen relatief meer schulden dan de
niet-beursgenoteerde ondernemingen. In 8 van de 18 sectoren kan het
tegenovergestelde waargenomen worden. Voor de overige 4 sectoren
blijkt er, net als voor de hele populatie, geen eenduidig besluit
genomen te kunnen worden In het tweede deel van het
praktijkonderzoek worden de lange termijn, korte termijn en totale
schuldgraad onderzocht op een statistisch verantwoorde manier.
Er kan besloten worden dat de beursgenoteerde ondernemingen, in
2004, significant meer gebruik maken van schulden op lange termijn
dan de niet-beursgenoteerde ondernemingen. Voor 2003 en 2002 is er
een sterke indicatie dat tot dezelfde conclusie kan gekomen worden.
Met betrekking tot het aanwenden van schulden op korte termijn, kan
er in 2004, 2002 en 2001, een indicatie waargenomen worden dat de
beursgenoteerde ondernemingen hun activiteiten minder financieren
met kortlopende schulden dan de niet-beursgenoteerde ondernemingen.
Wanneer de totale schuld onderzocht wordt, kan vastgesteld worden
dat de nietbeursgenoteerde ondernemingen, in 2003 en 2002,
significant meer schulden hebben dan beursgenoteerde ondernemingen.
In de andere onderzochte jaren kan er een sterke indicatie opgemerkt
worden dat ook in die jaren de beursgenoteerde ondernemingen minder
gebruik maken van vreemd vermogen.
Eén van de voornaamste resultaten van het statistisch onderzoek naar
de deelvragen is dat de beursgenoteerde ondernemingen, in 2004,
significant meer financiële schulden op lange termijn hebben dan de
niet-beursgenoteerde ondernemingen. Bovendien is er een indicatie
dat dit besluit ook genomen kan worden voor de jaren 2003 en 2002.
Verder wordt er ontdekt dat beide categorieën ondernemingen zo goed
als geen gebruik maken van handelsschulden op lange termijn en
evenmin van ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen op lange en
korte termijn. Uit het empirisch onderzoek komt verder naar voren
dat de schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen
niet significant verschillen. Er kan zelfs voor deze variabele in
geen enkel van de vier onderzochte jaren een indicatie opgemerkt
worden.
De berekeningen maken duidelijk dat de beursgenoteerde ondernemingen
hun activiteiten niet significant meer, maar ook niet significant
minder financieren met financiële schulden op korte termijn. Ten
slotte kan men duidelijk stellen dat in 2003 en 2002 de
beursgenoteerde ondernemingen significant minder gefinancierd worden
met handelsschulden op korte termijn dan de niet-beursgenoteerde
ondernemingen. Voor de andere jaren mag er dan wel geen significant
verschil zijn, er is in die jaren wel een sterke indicatie dat ook
dan de niet-beursgenoteerde ondernemingen meer gebruik maken van
handelsschulden op korte termijn dan de beursgenoteerde
ondernemingen.